frank vd goot‘Ik heb de academische vrijheid nodig om te spelen met de materie’

 Forensisch-patholoog Frank van de Goot kan uren en uren over zijn bijzondere vak vertellen. Met Van de Goot praten we over de technische details van een lijkschouwing, het nut van voorkennis en de reden van zijn bevlogenheid.

Je weet het van te voren door de filmpjes op internet, maar het blijft toch bijzonder om met Frank van de Goot door de gangen van Medisch Centrum Alkmaar te lopen. Terwijl zijn collega’s in hun smetteloze witte tenues passen bij de gangbare kledingmores is Van de Goot een beetje anders. Want natuurlijk draagt hij een zwart t-shirt met print, een wijde zwarte broek en grote zwarte wandelschoenen (waarmee hij in de dagen daarvoor nog een flinke berg beklom terwijl de wind om zijn oren suisde). Ach, echt helemaal normaal is hij, ongetwijfeld tot zijn eigen genoegen, ook nooit geweest. Want hoeveel mensen zeggen op de LTS dat ze de ambitie hebben om patholoog te worden om 35 jaar later in zijn proefschrift zijn ‘lieve vadertje’ te bedanken?     

Hoeveel lijkschouwingen vinden er plaats in Nederland? ‘Er zijn in Nederland 10.000 zaken per jaar die lopen via Justitie en Politie waarvan 300 het halen tot een gerechtelijke sectie. Daarvan krijg ik slechts een handvol binnen. Daarnaast doe ik veel “niet-forensische” zaken, zoals onlangs een man van rond de 55 jaar – een flinke drinker – die dood is gevonden in zijn huis. De schouwarts schreef dat er iets met zijn hart was, maar had eigenlijk geen idee. De familie wilde meer weten en toen we hem openmaakten, bleek zijn buik vol met bloed te zitten en de blaas was volledig opengescheurd. Die man had zo’n overvolle blaas bij een dikke prostaat dat – toen hij met een slok op tegen de grond ging – de blaas scheurde en hij ter plekke is doodgebloed. Een volkomen onverwachte wending. Zo’n verhaal wat je vooraf doorkrijgt, is dus misschien aardig, maar je moet het soms even in je achterhoofd parkeren.’

Komt het vaak voor dat je op een volledig ander spoor terechtkomt dan je had verwacht? ‘Dat komt met regelmaat voor. Een tijdje terug was er een meneer van eind 50 die het vonnis “beginnend dementieel beeld” had gekregen. Hij klaagde over buikpijn, werd opgenomen met een longontsteking en zou later naar een verpleeghuis gaan. Maar hij werd dood in zijn bed gevonden en de arts noteerde: ‘aspiratie’ wat neerkomt op zijn eigen maaginhoud ingeademd, of ‘een hartinfarct’. Ik maakte zijn buik open en zag direct een enorme tumor met massale uitzaaiingen zitten.’

 Is de doodsoorzaak vast te stellen zonder het lichaam open te maken? ‘Dat is niet te doen. Collega Judith Fronczek en ik hebben voor 500 mensen die zijn overleden in ziekenhuizen de doodsoorzaak in het ziekenhuis vergeleken met die na de sectie. In 20 tot 25 procent van alle gevallen klopte de doodsoorzaak niet. Datzelfde deden we bij huis- en schouwartsen en dan loopt dat percentage op naar 50 procent.’

Ook een ‘zelfmoord’ klopt niet altijd toch?
‘Als een forensisch arts het stempel ‘zelfmoord’ erop zet dan voelt Justitie zich vaak aangevallen als de familie daaraan twijfelt.’

Zoals in het geval van Dascha Graafsma in Hilversum, de zaak waar jij ook bij betrokken was. Zij zou voor de trein zijn gesprongen, maar de familie geloofde daar niet in. ‘Precies. Als je zestien bent en je bent gegrepen door de trein met een flinke slok op dan ga ik niet verder dan een ongeval onder invloed. Tenzij je een kind van vier die een fles bleekwater drinkt ook van zelfdoding wil beschuldigen. Het is een minderjarige zonder voorgeschiedenis op dat gebied.’

Hoe zeker ben je zelf in je oordeel over een doodsoorzaak? ‘We rapporteren alleen wat we helemaal zeker weten. We verklaren bijvoorbeeld iets als “heeft scherpgerande perforaties in buik, bijvoorbeeld door het steken met een mes”, maar de Politie zoekt in zo’n geval toch naar een mes.’

Begin je direct met snijden als een lichaam binnenkomt? ‘Nee. Je begint bij het hoofd en werkt omlaag terwijl je beschrijft wat je ziet. Dan zeg je iets als: centraal links op de borst, op zoveel centimeter links van de middenlijn, bevindt zich een, al dan niet scherp omlijnde, bloeduitstorting met een bepaalde diameter en dan maken we een foto. Nog voordat je begint met opensnijden verzamel je toxicologisch materiaal voor het lab; er wordt bijvoorbeeld wat bloed afgenomen uit de beenader. Dat moet wel specifiek vanaf die plek komen want je bloedwaardes worden per plek van je lichaam compleet verschillend als je eenmaal bent overleden.’

 

Wat doe je daarna? ‘Dan ga je volgens het vaste protocol de binnenkant bekijken. Schouder, schouder, midden van het borstbeen, boven het schaambeen. Als er sprake is van een vraag over de hals dan kun je de snede verlengen tot helemaal achter en de hele halshuid naar voren klappen. Er zijn drie methodes in deze fase: orgaan voor orgaan, bloksgewijs zoals het hart-long preparaat in een stuk en je kan een enkele keer ook het hele orgaanblok eruit halen. Dat laatste doen we vooral als we schotkanalen volgen. Maar daar ben ik niet zo’n voorstander van want het is nogal bloederig.’

Wat gebeurt er dan? ‘Dan draaien we het lichaam en gaat de rug open. In Nederland is het geen gewoonte om armen en benen te doen, maar in Duitsland en Engeland wel. Drie jaar geleden kwam ik in contact met luchtvaartarts Michel Mulder die me vroeg om het lichaam van piloot Richard Westgate opnieuw te onderzoeken. Mulder vertelde over grote aantallen piloten die onwel raakten door ingeademde vervuiling, organofosfaten om precies te zijn, via het luchtsysteem in de cockpit. Ik maakte de benen en armen open, legde de perifere zenuwen onder een microscoop en vond inderdaad een ontsteking. Het materiaal heb ik naar het VUMC gestuurd en daar werd de hypothese bevestigd. Ondertussen hebben we vijf, zes mensen vanuit de luchtvaart onderzocht en allemaal met dit soort rare zenuwafwijkingen. De Duitse journalist Tim van Beveren heeft er zelfs een film over gemaakt: Unfiltered breathed in.’

Je bent onder anderen gepromoveerd op letseldatering. Een nuttige techniek? ‘De techniek zelf komt uit de jaren zeventig, maar je moet hem uit handen houden van “gewone” forensisch onderzoekers omdat zij met die informatie aan de haal gaan alsof het een wetmatigheid is. Maar je kan alleen zeggen: scenario A, met een kortere tijd tussen het ontstaan van de dood is waarschijnlijker dan scenario B met twee uur tussen wond en dood. De techniek van letseldatering moet dus de techniek van andere onderzoekers ondersteunen of weerleggen, maar losstaand betekent het niet zo veel. Stel iemand krijgt een hartinfarct, valt dood neer en heeft een grote blauwe plek op zijn hoofd. Als je mij niet vertelt dat die man, zwaar onder invloed van drank, vier uur lang in de buitenlucht lag dan gaat het mis. Door de kou wordt dat wondproces immers steeds langzamer.’

Dus een puur forensische werkwijze is soms gevaarlijk?
‘Jazeker, zuiver forensisch denken kan op zich ook weer gevaarlijk worden omdat je simpelweg niet alles kunt waarnemen. Context is van belang voor de waarneming, maar dan ligt ook weer de tunnelvisie op de loer, het is een continue strijd tussen voorkennis en objectiviteit.’

 Even over jou; waarom ben je bij het NFI weggegaan in 2010? ‘Ik kon niet zo goed overweg met een keurslijf van topdown lijnmanagement dat bij zo’n instituut van de overheid hoort. Ik heb de academische vrijheid nodig om te kunnen spelen met de materie. Ik heb juist zo lang geleerd om mezelf die vrijheid te permitteren.’

 Het gevolg was wel dat je een eigen winkel moest beginnen. Is dat niet vreemd bij zo’n belangrijk vak? ‘Ik werk voor 40 procent als klinisch-patholoog bij Symbiant en heb een nul-uur-aanstelling aan de VU om onderwijs te geven. Daarnaast heb ik een eigen bedrijf; het Centrum voor Forensische Pathologie waarmee ik bijvoorbeeld nabestaanden help met onderzoeken. Kijk, bij Oma Jansen hangt er nu eenmaal een ander prijskaartje aan een onderzoek dan wanneer het OM jou belt voor een extra blik op een zaak. In het eerste geval doe ik het onderzoek vaak gratis, maar er moet wel geld binnenkomen. De kans is dan ook aanwezig dat ik de BV in slaap breng en wat dichter tegen de VU ga aanschurken want forensische pathologie hoort eigenlijk niet thuis bij een particulier. Ik denk wel dat het aantal onderzoeken naar doodsoorzaken omhoog moet. We moeten een tussenlaag neerzetten voor kleine zaken die bij fanatieke pathologen met lol in hun vak terechtkomen. Zij kunnen dan eventueel opschalen naar onderzoek aan het NFI of elders.’

In je proefschrift bedank je jouw vader. Waarom? ‘Mijn vadertje was een oude mopperkont, maar zonder dat hij het liet merken was hij apetrots op me. Ik deed zo’n beetje wat hij niet durfde, hij was een conflictmijder en ik ga juist de strijd altijd aan. Stiekem kon hij het waarderen als ik tegen een Officier van Justitie zei: je hebt gewoon ongelijk. Hij ligt al acht jaar in het graf, een gebarsten aneurysma. Hij was bekend met een slagader die op springen stond en drie dagen na dato had hij bijna geen lijkvlekken meer wat daarop duidt.’

 Heb je geen onderzoek gedaan? ‘Nee, dat wilden andere familieleden niet. Ofschoon ik had het zelf wel had willen doen moet je dat eigenlijk ook niet willen. Anderzijds zou ik beslist ook niet willen dat hij in handen zou vallen van iemand zonder ambitie in het obductievak.’

Jij hebt een lange weg afgelegd: van de LTS naar een zeer toonaangevende positie in je vakgebied. Ben je tijdens die route wel eens tegengewerkt? ‘Het is niet de gemakkelijkste weg. Vooral bij Geneeskunde moet je oppassen als je duidelijk aangeeft dat je Patholoog wilt worden. Tijdens mijn co-schappen voor Psychiatrie was ik bijna gestopt want we moesten een cursus Yoga geven aan patiënten met angststoornissen. Zie je mij Yoga doen terwijl ik destijds al zwaar in de materie van moord en doodslag zat?’

 Jij hebt meer met een automonteur dan met zo’n trainer van angststoornissen? ‘Ja, maar ik ben zelf ook niet een van de gemakkelijkste mensen hoor. Ik maak nog wel eens ruzie als ik niet helemaal op mijn plek zit. Zeker het laatste jaar bij de het NFI was het heel zwaar.’

 Vertel je jouw bevindingen qua doodsoorzaak altijd direct aan de familie? ‘Meestal gaat dat via een tussenpersoon – familie waardeert de openheid – maar het gemak en plezier waarmee ik over mijn mooie vak praat is natuurlijk anders voor een nabestaande. Tijdens zo’n zaak moet alles dan ook binnen de muren van de sectiekamer blijven. Dat Professor George Maat over MH17-slachtoffers zei: ‘daar is niet veel meer van over’ is een hele normale opmerking bínnen de sectiekamer, maar daarbuiten niet. Een Engelse collega van mij gebruikte ooit het woord ‘crispy’ nadat een auto met slachtoffer was uitgebrand. De vader van het slachtoffer stond echter naast hem en die man vond dat niet zo’n gepaste opmerking.’

Viel jouw collega George Maat dat ook te verwijten? ‘Het is niet handig om met dat materiaal naar buiten te treden want er is voldoende beschikbaar dat niet zo politiek gevoelig is. Maar de reacties op hem vond ik idioot. Ik snap best dat het politiek correct leek om hem zo te veroordelen, maar die man heeft een geweldige staat van dienst. Ik ben blij dat hij helemaal gerehabiliteerd is, maar anderzijds had hij er ook over moeten nadenken wat hij daar liet zien en waar hij stond. Ik vond het wel eng wat er allemaal gebeurde; er komt iets op gang waarin mensen dingen weten die wij als gewone nieuwsvolgers niet weten. Nu is George Maat toevallig niet op zijn mondje gevallen, maar ieder ander was er totaal aan ten onder gegaan.’